Ter Overweging

Woord van Diaken Henk Schrader

Beste parochianen,

We zitten nu in de Paastijd, de tijd tussen Pasen en Pinksteren. Pasen, altijd weer een inspirerende periode. De projecten van voorbereiden van vele kinderen op het ontvangen van hun Eerste Heilige Communie of het Vormsel lopen ten einde. Ik zie hele enthousiaste kinderen die aan de voorbereidingen meedoen en ik hoop, dat ze ook mogen stralen bij hun Communie of Vormsel.

Ik blik nog even terug op Pasen. Voor mij begon de Goede Week in de Trinitas-parochies met een oecumenische viering in de Samenvaartkerk. We stonden stil bij het lijden en sterven van Jezus aan de hand van een aantal staties. Deze staties werden op een scherm geprojecteerd, waardoor het bijbehorende verhaal nog beter tot zijn recht kwam. En het heeft altijd iets, om in stilte een kerk te verlaten.

In ’t Zand en Anna Paulowna mocht ik voorgaan in de Paaswakeviering. Een bijzondere viering, van donker naar licht, van dood naar leven. De Heer is waarlijk opgestaan. In mijn preek gaf ik aan, dat ik de Paaswake als kind zo prachtig vond. Een donkere kerk waar  op een gegeven moment alle kaarsjes aangestoken werden. Even later gaf ik in de preek aan, dat ik de volgende uitspraak zo mooi vond. Dat als je een kerk inkomt, als toerist bijvoorbeeld, en je er een kaarsje opsteekt, dat je dan iets van jezelf achterlaat. Ik voegde daar nog aan toe: ‘Of is het misschien omgekeerd: dat je iets vanuit de kerk meedraagt als je de kerk verlaat?’

Na mijn dienst op eerste Paasdag in Den Burg op Texel, had ik het druk met handjes geven. Velen waren toeristen en sommigen wilden wel even iets kwijt of iets vragen. Zo had ik ook een gesprek met een echtpaar. Aan het eind van het gesprek vroeg ik waar ze vandaan kwamen. Ze gaven aan, dat ze uit Groningen kwamen.

Ondertussen had een klein meisje mijn aandacht getrokken; zij en haar moeder liepen op mij af. Ik vroeg aan het meisje waar zij vandaan kwam. Onthutst antwoordde ze dat haar paard overleden was en dat ze zojuist een kaarsje voor het paard aangestoken had. De moeder gaf vervolgens aan, dat ze nog maar net twee lessen op het paard heeft mee mogen maken en nu was het paard plotseling overleden. De moeder richtte haar blik inmiddels op haar dochter en gaf haar mee dat die meneer haar vroeg waar ze vandaan kwam. Ze kwamen uit de buurt van Heerhugowaard. De moeder vervolgde haar relaas door te zeggen dat ze in korte tijd van een aantal dierbaren afscheid heeft moeten nemen en dat nog twee mensen heel erg ziek zijn. Ik keek naar de bak waar de kaarsen aangestoken konden worden en zag dat die al behoorlijk vol was. Ik gaf aan, dat er mogelijk in de Mariakapel ook nog kaarsjes aangestoken konden worden. ‘We hebben er al zes aangestoken’ was haar antwoord. Met hun alle sterkte toe te wensen nam ik afscheid van ze.

De woorden uit mijn preek schoten me weer te binnen, over de toeristen die een kaarsje aansteken. Maar ook de volgende zin uit mijn preek schoot me daarna gelijk binnen, namelijk dat het aansteken van een kaars een gebaar is van een woordeloos gebed. Je zegt het in feite in theorie in de preek, maar ik kreeg het daarna te zien in de praktijk. Het geeft maar weer aan, dat mensen in nood een kerk altijd weten te vinden.

Ik wens u allen mooie dagen naar Pinksteren toe.

Henk Schrader, diaken